Flexibiliteit en flexi-jobs: een broodnodige realiteit




OPINIE
In zijn recente column in De Standaard stelt Ive Marx dat de uitbreiding van flexi-jobs louter een cadeautje is aan werkgeverslobby UNIZO. Het is nogal evident dat UNIZO optreedt als spreekbuis van de Vlaamse kmo-ondernemers. Volgens Marx ondermijnt het systeem de reguliere arbeidsmarkt en verliest de overheid broodnodige sociale bijdragen. Dit standpunt klinkt logisch in theorie, maar in de praktijk slaat het de bal mis.
Laten we even teruggaan naar de kern van het flexi-jobstelsel. Dit systeem, ingevoerd in 2015, biedt mensen die al minstens vier vijfde werken of gepensioneerd zijn de kans om meer te werken wanneer zij dit willen. Flexi-jobs ontstonden niet als een tactiek van werkgeverslobby’s, maar als een pragmatische oplossing voor sectoren met een nijpend personeelstekort. Zonder flexi-jobs zouden veel van deze werkgevers simpelweg geen mensen vinden om hun piekmomenten op te vangen.
Het zorgde voor meer flexibiliteit, wat een voordeel is voor de werkgever en de werknemer. Deze flexibiliteit is nodig om het werk georganiseerd te krijgen. In vergelijking met andere landen staat België in de middenmoot wanneer het aankomt op atypische en flexibele arbeidsregimes, zoals telewerk, glijdende uren, overuren, of flexi-jobs. Steeds meer werkgevers en werknemers gaan in zo’n context op zoek naar manieren om extra uren op een (para-)fiscaal interessante manier te presteren. Voor werkgevers zijn net die studenten- en flexi-jobs onontbeerlijk om tijdelijke pieken in het werk op te vangen.
Marx stelt dat flexi-jobs reguliere tewerkstelling vervangen. Maar is dat zo? Uit de beschikbare studies kan dit niet worden afgeleid. Er is met andere woorden geen onmiddellijk bewijs dat een werkgever er de voorkeur aan zou geven om een aantal flexi-jobbers aan te werven in plaats van één vaste werknemer, of bestaande banen op te splitsen en te vervangen door meerdere flexi’s. Ook al zijn flexi-jobs inderdaad bijzonder populair, zij maken slechts een klein deel uit van de totale tewerkstelling. Wat wel duidelijk is, is dat het een belangrijk hulpmiddel is voor bedrijven als antwoord op de arbeidskrapte. De grote meerderheid van de werkgevers die flexi-werknemers tewerkstellen, is gevestigd in Vlaanderen. Als bedrijven via de klassieke weg geen kandidaten meer kunnen vinden, is een flexi-job vaak een goede oplossing, wat ook deels het grote succes in Vlaanderen verklaart.
HIVA (Onderzoeksinstituut voor Arbeid en Samenleving – KU Leuven) onderzocht het aantal aanwervingen voor flexi-jobs, en vergeleek dit met het totale aantal aanwervingen. Hieruit bleek dat het aantal aanwervingen in flexi-jobs inderdaad toenam van 1% naar 6,1% van het totaal, maar in absolute cijfers is zowel het aantal voltijdse jobs, als het aantal flexi-jobs stevig toegenomen. Dit heeft uiteraard te maken met de arbeidskrapte. Het aantal flexi-aanwervingen stijgt inderdaad, maar dat doet ook het aantal voltijdse aanwervingen.
Waar zit dan het verschil? Het zorgt ervoor dat enkele andere flexibele stelsels minder vaak werden gebruikt. Het gaat dus om een substitutie binnen deeltijdse aanwervingen en uitzendarbeid. De grote flexibilisering waarvoor men aanvankelijk vreesde is aldus uitgebleven. Flexi-jobs komen dus niet in de plaats van vaste banen. Bovendien vergt het ook van de werkgever een inspanning. Men moet de mensen opleiden en de nodige inwerktijd geven.
Een ander punt van kritiek is de sociale bijdragevrijstelling op flexi-joblonen. Het gaat om gepensioneerden of om werknemers die al minstens 4/5e elders werken. Gaan we deze mensen nog bijkomend belasten omdat ze meer uren willen werken? Werknemers blijven sociale rechten opbouwen.
België is bovendien al koploper in het belasten van inkomsten uit arbeid. Nergens anders ter wereld houden werknemers zo weinig netto over van wat hun werkgever in totaal aan loonkost moet dragen. Wij zijn het land met één van de hoogste nominale tarieven en de minst brede schijven in de personenbelasting. Aangezien de beroepsactieve loontrekkende minstens 4/5e moet werken, zijn flexi-jobs vergelijkbaar met andere vormen van bijkomend werk, zoals overuren, waar ook dikwijls (para-)fiscale voordelen gelden. Een (binnen strikte grenzen) onbelast flexi-loon vormt voor een werknemer niet meer dan een fiscaal interessant extraatje bovenop de zwaarbelaste bezoldiging uit zijn reguliere job. Er mag niet vergeten worden dat de werkgever op flexi-jobs patronale bijdragen betaalt die op 1 januari 2024 werden opgeschroefd tot 28%. Flexi-jobbers vullen op piekmomenten deze jobs in, waardoor er bijkomende inkomsten zijn voor de sociale zekerheid. Zonder flexi-jobs raken vele van deze jobs niet officieel ingevuld waardoor er evenmin bijdragen zijn.
Het is makkelijk om economische hervormingen weg te zetten als cadeaus aan de werkgeverslobby, maar de arbeidsmarkt is geen zero-sum game. Flexi-jobs zijn geen bedreiging, maar een broodnodige oplossing. Laten we ze daarom omarmen als een kans en ze niet wegzetten als een gevaar.
Philippe Van Walleghem
Adviseur sociaal recht UNIZO
Lees hier de publicatie in De Standaard
